Bevlogenheid kan worden gedefinieerd als een positieve affectief-cognitieve toestand van opperste voldoening die gekenmerkt wordt door vitaliteit, toewijding en absorptie(Schaufeli et al 2006). Het wordt vaak geassocieerd met mensen die werken in flow en met mensen die hier-en-nu (present) zijn. De relevantie van het onderwerp bevlogenheid of “engagement” is groot. Omdat bevlogenheid veel oplevert en omdat de arbeidsmarkt binnen enkele jaren voor grote uitdagingen komt te staan.

Enige bronnen van onderzoek

Een veel gebruikt model om bevlogenheid en burnout te verklaren is het Job Demands-Resources (JD-R) model, gebaseerd op het Demand Control (DC) model van Karasek (1979).

Het DC model gaat uit van twee determinanten om de gezondheid en het welzijn van een werknemer te voorspellen; taakeisen en sturingsmogelijkheden. De psychologische taakeisen zijn de eisen die aan het werk worden gesteld, zoals snelheid, kwaliteit en complexiteit. De regelmogelijkheden gaan over de mate van autonomie die een persoon ervaart tijdens het uitvoeren van werkzaamheden. De mate waarin een persoon zelf kan bepalen hoe, in welk tempo en in welke volgorde het werk wordt uitgevoerd zijn hierbij bepalend (Karasek, 1979).

Machlach & Leiter (1997) gingen er vanuit dat een burnout het tegenovergestelde is van bevlogenheid, en dat dit uitersten op dezelfde schaal zijn. Dit zou betekenen dat iemand, die laag scoort op indicatoren voor bevlogenheid, automatisch een burnout heeft. Demerouti e.a. (2001) waren een andere mening toebedeeld. Met behulp van het Job-Demands Resources (JD-R) model onderzochten ze bevlogenheid en burnout en concludeerden dat burnout en bevlogenheid niet de uitersten op dezelfde schaal zijn, maar apart gemeten moeten worden. Een belangrijk verschil tussen bevlogenheid en een burnout is dat bevlogen mensen om kunnen gaan met een hoge werkdruk en lange werkdagen, zonder uitgeput te raken (Bakker, 2002). Dit komt doordat bevlogen mensen veel hulpbronnen tot hun beschikking hebben. Bevlogen mensen zijn hierdoor in staat om veel inspanning te leveren en daar ook plezier in te hebben (Bakker, 2002). Dit heeft een negatief effect op een burnout en een positief effect op bevlogenheid (Schaufeli & Bakker, 2004).

Indicatoren van vitaliteit zijn factoren als zich energiek, fit en sterk voelen en zin hebben om aan het werk te gaan. Een persoon met een hoge mate aan toewijding vindt bijvoorbeeld het uitgevoerde werk nuttig en zinvol, voelt zich geïnspireerd en ziet het werk als een uitdaging. Indicatoren van absorptie zijn factoren zoals vergeten wat er om je heen gebeurt als je aan het werk bent, het idee hebben dat de tijd snel voorbij gaat en het in vervoering zijn door het werk dat je uitvoert (Schaufeli & Bakker, 2006). Bevlogen werknemers laten zichzelf zien in hun werk en zijn zelfbewust en zelfexpressief (Van Rhenen, 2011). Ze lossen werkgerelateerde problemen op door hun gevoel, ideeën en intuïtie te gebruiken, raken niet snel verveeld en vervullen vaak meer dan alleen de vereiste taken.

Tot de 21e eeuw werd vooral onderzoek verricht naar de negatieve aspecten van gezondheid en welzijn, zoals bijvoorbeeld een burnout (Diener, e.a., 1999). Daarom is er in de wetenschappelijke literatuur minder te vinden over de positieve aspecten, zoals bevlogenheid. De uitkomsten van een onderzoek naar bevlogenheid kan een bijdrage leveren aan de huidige literatuur. Van Rhenen (2011) sluit zich hierbij aan en stelt dat toekomstige onderzoeken antwoorden moeten geven op bijvoorbeeld vragen van organisaties. Organisaties missen informatie omtrent interventies die toegepast kunnen worden om de bevlogenheid van hun medewerkers te vergroten, in welke omstandigheden deze interventies het beste werken en voor welk type werknemer welke interventie het best werkt.

Share Button